De monnik probeert het op alle mogelijk manieren; bij dag en bij nacht; op zijn eentje en samen met anderen; binnen de abdijmuren en erbuiten.
Zolang hij zelf de hand wil leggen op de vis, ontsnapt hij.
Het is pas als de monnik aanvaardt om door de vis zelf geleid te worden dat hij krijgt wat hij verlangt: de hemel. En wel in overvloed.