op de grote poort van een bijna 1000 jaar oude abdij. Ik was met vrienden aan
het rondtrekken in de Chartreuse, een onherbergzaam gebergte in het Zuidoosten
van Frankijk toen we dit lazen. De
monniken die daar wonen, kartuizers genaamd, brengen hun hele leven door in volledige
stilte. Daar kiezen ze bewust voor. Onlangs las ik een interview met de monnik
die daar verantwoordelijk is voor de vorming van nieuwe kandidaten. Hij wist te
vertellen dat het gemiddeld zeven jaar duurt vooraleer een nieuwe bewoner helemaal
stil kan worden.
Veel mensen houden van
stilte. Ze zoeken die steeds weer op en waken aandachtig op de stilte in hun
woon- en werkomgeving. Ze gaan graag
naar stilte-hotels en nemen deel aan stilte-wandelingen. Stilte helpt hen om
bij zichzelf te komen en te blijven.
Anderen zijn als de dood voor stilte. Ze
kunnen niet inslapen zonder muziek. Overdag hebben ze hun oortjes de hele tijd
in. Voor hen is de stilte de ruimte van het akelige niets dat snel dient
opgevuld te worden. Stilte kan ook de plaats zijn van het teveel. Een overdaad van
nare herinneringen dient zich dan aan. Beelden en geluiden spelen zich af als
een eindeloze film waarin je zelf meer centraal staat dan je lief is. Vaker als
slachtoffer dan als held.
