het kwaad aan het werk zijn in het hart van mensen, in onrechtvaardige sociale
en economische structuren die door mensen werden opgezet, en hoe ontzettend
veel mensen daar het slachtoffer van zijn.
mij aan. In het diepst van mezelf wil ik daar ook iets aan doen. Tegelijk voel
ik me zo machteloos. Of het lijden van anderen bevangt mij, omdat het mij
terugwerpt op mijn eigen kwetsuren. Soms komt dan de bekoring in mij op de ogen
te sluiten voor die ondraaglijke werkelijkheid, mij op te sluiten om mijn eigen
wonden te likken, en ervoor te zorgen dat ik het zelf maar goed heb. Toch voel ik aan dat dat niet eerlijk is.
Die
bekoring, waaraan ik soms een beetje toegeef, brengt mij tot het besef dat het
kwaad, die zelfgenoegzaamheid ook in mijn eigen leven en in mijn eigen hart
aanwezig is. Ook ik heb gemakkelijk de neiging mij als middelpunt te stellen,
en alles te bekijken vanuit mezelf en in verhouding tot mezelf en de zaken dan
te schikken zoals het mezelf best past. Dit zelfbeschermend egocentrisme maakt
me dan hard, ongenaakbaar, onverbiddelijk, dikwijls ook kwetsend naar de
anderen toe. Ik laat me niet meer raken door menselijke situaties, of door wat
mijn manier van zijn teweeg brengt bij anderen.
Wil ik
eerlijk in het leven staan, dan weet ik dat ik het niet kan en niet mag opnemen
tegen het kwaad dat mij omringt, en waarvan ik, of verre mensen dikwijls het
slachtoffer ben, als ik het kwaad dat in mijn eigen hart aanwezig is, en
waarmee ik mijn naastbestaanden soms pijnlijk kwets, niet eerst onder ogen durf
te nemen.
Een anonieme jezuïet
