bied ik tien beschouwingen aan over opvoeden tot vrijheid. Ze zijn alle
rechtstreeks of onrechtstreeks geïnspireerd door de ignatiaanse traditie. (2/10)
cultuur houden ons een veel beperkter vrijheidsbegrip voor. In die betekenis is
vrijheid iets dat je geleidelijk aan
verliest naarmate je ouder wordt. Want, naarmate je ouder wordt moet je verantwoordelijkheid
opnemen, en kan je niet meer “om het even wat” doen.
wat ik wil waar en wanneer en met wie ik dat beslis. Deze benadering herleidt de vrijheid tot het
ja of nee mogen zeggen. Ik doe het, of ik doe het niet, al naargelang ik er al
of niet zin in heb. Dit ja of neen kunnen zeggen is zeker een voorwaarde om van
vrijheid te kunnen spreken. Het gaat hier over de vrije wilsbeschikking (liber
arbitrium). Maar als vrijheid zich hier toe beperkt, dan is het eigenlijk een
lege doos.
Deze tendens wordt in belangrijke
mate versterkt door de publiciteit. Met verfijnde technieken, probeert deze de consument
te manipuleren. Als je talrijke reclamefilmpjes mag geloven dan hangt het diepste
geluk nauw samen met de soort jeans of het merk sportschoenen dat je draagt; met de kauwgom die je kauwt of met de tandpasta die je gebruikt. De
onderliggende boodschap is dat je maar ten volle jezelf kan zijn, en dus vrij,
als je de producten koopt en consumeert, die mannequins in spotjes aanprijzen
en die de grote industriële groepen die erachter schuil gaan rijk maken.
leugen is. Toch werkt het. Hoeveel jongeren – en minder jongeren – identificeren
zich niet met hun kledij, kapsel of muziek. Onder het mom van de vrijheid
worden ze met handen en voeten gebonden. Op zich niet zo dramatisch. Ware het
niet dat ze daardoor dreigen te vergeten of gewoon nooit te ontdekken dat het
leven ook iets meer te bieden heeft.
