Op 4 augustus 1553 – het was op een vrijdagmorgen, daags voor het feest van Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw- waren onze Vader en ik in de tuin naast het huis, preciezer gezegd: naast dat gedeelte van het huis dat ‘van de Hertog’ genoemd wordt. Ik begon daar rekenschap af te leggen over enkele bijzonderheden aangaande mijn ziel, en had het met hem onder andere over de ijdele roem.
Onze Vader gaf me als geneesmiddel dat ik al het mijne vaak tot God zou terugbrengen en me erop zou toeleggen Hem al het goede aan te bieden dat ik in mezelf aantrof, het als het Zijne te erkennen en Hem ervoor te bedanken. Hij zei dat op een manier die me veel troost gaf, zodat ik mijn tranen niet kon bedwingen.
Onze Vader vertelde me namelijk hoe hijzelf twee jaar lang met dit gebrek te kampen had gehad, met het gevolg dat hij, toen hij zich in Barcelona voor Jeruzalem inscheepte, aan niemand had durven zeggen dat hij naar Jeruzalem ging en hoe hij in andere, soortgelijke omstandigheden hetzelfde had gehad. Hij voegde er nog aan toe dat hij sindsdien een grote vrede daaromtrent in zijn ziel voelde.
