We wisten dat het einde snel naderde. De ziekte van Alzheimer had reeds een flinke
tol geëist van Maarten, ook al was hij nog helemaal niet oud. De longontsteking
die hij er nu bovenop had gekregen was er teveel aan. Met een aantal goede
vrienden stonden we rond het bed dat weldra zijn sterfbed zou worden. Maarten
was zijn geheugen helemaal kwijt. Hij had wel nog een zekere mate van
bewustzijn en kon ons allen herkennen. Het voortdurende hoesten had hem helemaal uitgeput.
Tussen het slapen door
opende hij af en toe even de ogen. Telkens weer keek Maarten om zich heen met blij
verraste ogen. Wat heerlijk toch dat jullie hier allen zijn, zeiden die ogen.
Hoe zou dat toch komen? Wat bijzonder. Een minuut of wat later dommelde hij
weer in, om snel daarna opnieuw, met even grote verbazing en vreugde, vast te stellen
dat zijn vriendengroep rondom hem was verzameld.
uitsluitend in het nu. Het verleden bestond niet meer. De toekomst had niet
langer betekenis. Het resultaat was een groot vermogen tot verwondering. De gewone werkelijkheid was elke keer weer helemaal
nieuw. Ik voelde me verdrietig. Tegelijk was ik ontroerd telkens ik die
kinderlijk verwonderde blik zag. Had onze vriend Maarten het besef van de tijd
verloren? Of beleefde hij de tijd net ten volle? Duidelijk was in zeker dat hij,
op zijn manier, volop genoot van elk ogenblik dat hem nog was gegeven.
Nikolaas Sintobin sj
