In een studie/leesgroep over ignatiaanse spiritualiteit sprak iemand zijn verbazing, om niet te zeggen zijn verontwaardiging, uit over het feit dat er zo weinig vreugde is onze Kerk. “Een goede mis er een waar de pastoor niet te lang gepreekt heeft. Want dan zijn we sneller buiten.” Of nog: “Waarom zijn er zoveel gefrustreerde religieuzen?”
Het was scherp verwoord. Toch meen ik dat de persoon in kwestie gelijk had. We komen uit een cultuurchristendom. Iedereen werd geacht “katholiek” te zien. In elke “goede familie” dienden er meerdere priesters en religieuzen te zijn.
Christen-zijn is ten gronde geen cultureel gegeven. Wel de vrucht van een persoonlijke bekering. Niet één keer. Maar voortdurend. Een leven lang.
Het Evangelie richt zich tot iedereen. Dit betekent, spijtig genoeg, niet dat iedereen ook in staat is om die Blijde Boodschap te horen, laat staan om ze te ontvangen in zijn/haar hart en van te leven. Wat we traditioneel de erfzonde noemen, heeft hier alles mee te maken.
De oudere Ignatius gaf toe dat hij spijt had niet selectiever te zijn geweest in de toelating van kandidaten tot de Sociëteit van Jezus. Hij kwam tot die vaststelling binnen een andere context. Uiteraard. Maar er lijkt me toch een analogie te zijn. De geloofwaardigheid en de authenticiteit van onze Kerk hangt niet in de eerste plaats af van het aantal leden. Wel van het leven en de vreugde die de christenen uitstralen.
Durven wij, willen wij vreugdevolle mensen zijn? Zijn wij bereid om te leven vanuit de vreugde die de levende Heer ons aanbiedt? Elke dag.
