een jaar rondom de vraag of hij wel echt jezuïet moest worden. ‘Elke dag heb ik in
stilte een uur geluisterd. Bij het voornemen om jezuïet te worden, voelde ik een enorme vreugde. Op grond van die vreugde
heb ik mijn keuze gemaakt.’
Bekeek hij zijn roeping rationeel, dan waren er vooral argumenten om geen jezuïet te worden. Hij noemt de toestand van de kerk en de
onduidelijkheid over zijn toekomst als religieus in dienst van die kerk. Maar luisterde hij naar zijn hart, dan gold
het tegenovergestelde. ‘Ik had misschien
weinig idee over mijn toekomst als jezuïet, maar ik wist: het betekent dat ik mijn leven geef voor Jezus.
Voor een deel blind, maar begeleid door een intense vreugde.’
zich een houding van onverschilligheid eigen te maken. Niet in de zin van
apathie, maar als in groeien om beschikbaar te zijn voor wat God van hem
vraagt. Hij noemt dat het fiat van Maria. ‘Ik zie het absoluut niet, maar als Gij het vraagt, doe ik het. Een
lang leven een kort leven, eer oneer, rijkdom of armoede, het doet er allemaal
niet toe.’
basishouding van elke bewuste christen. God wat Jij, schepper, mij vraagt is
goed. Het enige wat ik verlang is te weten wat Je me vraagt. Maar wat Je me
vraagt, doe ik. Of ik het nu wel snap of niet snap. Of ik het nu leuk vind of
niet. Als Jij het me vraagt is het goed, omdat Jij het me vraagt. Want Je vraag
het me uit liefde en dus kan het enkel maar goed zijn.’
