fundamenteelste vraag is dan deze. Kan ik aanvaarden dat de liefde waarmee
iemand van mij houdt en mij aanvaardt zoals ik ben, mij niet enkel geschonken wordt nadat en omdat ik geworden ben wie ik graag
zou zijn, maar eigenlijk daarvóór?
ontvangen, zoals het hun in handen wordt gegeven. Daaruit volgt dat de liefde waarmee van
mij gehouden wordt eerst is. Dat het feit dat ik mij onvoorwaardelijk
geliefd weet -wie ik ook mag zijn- mij juist oproept en maakt tot het rijkste
en het mooiste dat ik kan zijn.
anderen toe, met wie ik in liefde samenleef.
beleven !
mij en die onvoorwaardelijke aanvaarding van mij op de eerste plaats door God zelf worden
waar gemaakt, ben ik ‘uit God’ en ‘naar God toe’.
