van 3 paradoxen probeer ik daar in deze serie van 7 posts iets over uit te
leggen (1/7)
als horen en zien ó Geloof in God
lijkt voorbehouden voor een kleine groep
Geloven
als basisvoorwaarde voor mens-zijn
leven in de werkelijkheid – die ruimer is dan jezelf – moet je uit je zelf
durven treden en leren contact te maken met de wereld buiten jou. Mens worden en dus de hele opvoeding heeft hier
alles mee te maken. Het kind staat voor de uitdaging om het veilige en besloten
cocon van het ikje te verlaten om naar de ruimere wereld toe te durven gaan, in
het bijzonder ook naar de andere mens. De beperking van het autistische kind is precies dat het het
hier moeilijk mee heeft en dat het dreigt opgesloten te blijven in zichzelf.
bij dit naar buiten treden is dat je het aandurft om te vertrouwen in iets of iemand die je niet volledig kunt controleren,
die je ontsnapt, die je te boven gaat, maar waar je toch op rekent.
je de eerste keer fietst zonder zijwieltjes,
je voor het eerst zwemt zonder bandje,
je je intimiteit opent voor een vriend of vriendin,
je een levenspartner kiest ….
daar steeds een belangrijke dosis onzekerheid, een onbekende en ongrijpbare
factor die je er bij moet nemen. Het gaat hier niet over weten met zekerheid dat je niet zal vallen, dat de ander je zal
respecteren. Er is steeds een stuk sprong
in het onbekende. Want de volledige zekerheid heb je nooit. Wie deze sprong
niet of moeilijk durft te wagen die zal het heel moeilijk hebben om zich ten
volle te kunnen ontplooien als mens.
gaat het hier over geloven. En
eigenlijk doen we dit voortdurend. Ik kan dit blogbericht niet schrijven als ik
niet ergens geloof dat de bezoeker
van deze blog minstens een beetje geïnteresseerd zijn in wat ik te zeggen heb.
Met andere woorden, geloven, als basishouding
in het leven, is helemaal niet zo’n speciale houding. Het is eigenlijk, op
de keper beschouwd, gemeenschappelijk aan alle mensen. Meer nog, misschien zegt
dat “geloven” wel iets over het mens zijn op zich?
