grootste gebod, antwoordt Hij onmiddellijk: de liefde. En wel: de liefde tot
God, en –even belangrijk- de liefde tot de medemens (Mt. 22, 37-39). Dat tweede
noemt Hij :”heb je naaste lief als jezelf” . Die woorden ontleent Hij aan het
Oude Testament (Lev. 19, 18). Maar op de laatste avond van zijn leven, na de
voetwassing, drukt Hij die liefde tot de medemens anders uit: “zoals Ik jullie
heb liefgehad. Zo moeten jullie elkaar liefhebben” (Joh. 13, 34)
beseffen dat we die nieuwe opdracht op eigen kracht niet kunnen volbrengen. Dat
weet Jezus ook heel goed. Hij moet het doen in ons. Wij moeten ons laten
volstromen met zijn liefde, zodat die kan overstromen naar onze medemens.
beschrijft (1 Kor. 13, 4-7) dan doet hij eigenlijk niets anders dan een portret
van Jezus tekenen. Daar heb je de liefde ten voeten uit, in levenden lijve. En
dat is dan overduidelijk een liefde die niet iets geeft, ook niet een liefde
die veel geeft, maar een liefde die zichzelf geeft.
en bij zijn afscheid vat Hij het nog eens heel uitdrukkelijk samen bij het
laatste avondmaal, het joodse pesachmaal. “Ik heb er hevig naar verlangd, dit
pesachmaal met jullie te eten….”zo begint Hij die maaltijd (Lc 22, 15). In dat
maal gaat Hij dan zichzelf geven in de gedaante van brood en wijn: dit is mijn
lichaam; dit is mijn bloed; dit ben ik. En Hij is er zich heel goed van bewust,
dat hier werkelijk zijn leven op het spel staat. Inderdaad, de volgende dag
reeds zal Hij gegeseld en gekruisigd worden en zo een gruwelijke dood sterven.
Liefde die zichzelf geeft!
heel reëel, moet iedere christen zichzelf geven om werkelijk te beminnen.
Alleen al om de ander echt wẚẚr te nemen, – in zijn of haar waarheid te nemen-, moet
ik mijn vooroordelen, projecties en eigenbaat prijs geven. Ik kan die ander
niet in een beeld vangen en vastleggen, want dan leef ik aan de werkelijkheid
van de ander voorbij. En ook dat betekent dat ik steeds weer moet loslaten,
moet geven, om waarachtig te beminnen. Dat heeft Jezus ons voorgeleefd.
toestroomt in een nooit ophoudende vloed, die ons vult tot aan de rand en die
dan overstroomt van ons uit naar de ander toe. Liefde die we ontvangen en
geven.
Piet van Breemen sj en Hans van Leeuwen sj
