links en rechts twee anderen hingen te sterven. Twee mensen die de dood
vervloekten, omdat ze hem niet begrepen. Wie kan hem ook begrijpen?
naar Christus’ dood. En wat hij zag, was voldoende om ook de eigen dood te
begrijpen. Want men heeft zijn dood begrepen en goed begrepen, als men tot de
stervende Christus zegt: ‘Denk aan mij, wanneer Gij in uw rijk komt’. Tot deze
stervende nu zei de Mensenzoon, die met ons het doodslot deelde en ons tot
leven verloste: ‘Vandaag zult ge met Mij zijn in het paradijs’. Dat zegt Hij
ook tegen ons.
de heilige vrees zou ontnemen, waarin wij de zaligheid van onze dood moeten
bewerken, zei Hij tot de andere moordenaar … niets. De duisternis en het
dodelijke zwijgen, die er over deze dood hingen, doen ons bedenken dat de dood
ook het begin van de eeuwige dood kan zijn.
horen over de dood, die het leven is; de boodschap over de komst van de Heer,
die het leven is dat geen dood meer kent, ook al gaan wij het binnen door de
dood. Nog is deze werkelijkheid verborgen in de nuchtere banaliteit van hetgeen
we in het sterven beleven. Maar het is de waarheid, die ons door het geloof
over de dood wordt geleerd.
