Vaak ben ik onder de indruk van het idealisme én het realisme, van het grote verlangen én de luciditeit van die jonge mensen die maar al te goed weten dat het niet evident is te trouwen.
Moeilijker vind ik het om om te gaan met de angst, het ongeloof en het fatalisme die er ook soms leven:
“Hoe lang gaat het duren?”
“In mijn omgeving zijn alle koppels uit mekaar”
“Ik zou er zo graag in geloven, en ik houd zielsveel van hem/haar. Maar ik kan niet geloven dat het mogelijk is om een levenlang van mekaar te houden.”
Op dit punt kunnen de gesprekken heel intens worden. In laatste instantie kan ik hier enkel nog maar spreken over het geloof dat een levenslang engagement niet alleen mogelijk is, maar ook wenselijk en ten volle ontplooiend; dat een definitief engagement niet betekent dat je jezelf opsluit maar wel dat het rust, ruimte en vrijheid mogelijk maakt; dat een liefdesengagement in se vraagt om onvoorwaardelijk en levenslang te zijn.
Het moeilijkste, meest verrassende, maar vaak ook heel “troostende” punt is het sacramentele karakter van het huwelijk: het geloof dat in het sacrament van het huwelijk er méér aan de hand is dan enkel maar een belofte van twee mensen; het geloof dat het Christus zelf is die bemint doorheen het koppel met Zijn oneindige liefde; en dat die liefde niet wijkt voor het kruis. Vroeger niet. Ook vandaag niet. Dit geloof kan alles anders maken.