jaar geleden las ik voor het eerst de tekst “De moed om te aanvaarden dat
men aanvaard is” van Piet van Breemen sj (uit “Als brood dat wordt
gebroken”, Lannoo, 1977). Hij grifte zich meteen in mijn geheugen. Een uittreksel.
Tillich
definieert geloof als “de moed om te aanvaarden dat men aanvaard is”, en hij
bedoelt: aanvaard door God. Men zou kunnen denken dat zo’n geloof niet veel
moed vereist. Integendeel, het klinkt misschien wat zoet en gemakkelijk. Maar
er is wel degelijk moed voor nodig en dikwijls ontbreekt die moed. Waarom is
het moedig te aanvaarden dat men aanvaard is? Op de eerste plaats: als er
dingen gebeuren die ons teleurstellen, zijn we geneigd om te klagen “Hoe kan
God dit toelaten?” We beginnen te twijfelen aan Gods liefde. Er is moed voor
nodig om te geloven dat God ons aanvaardt wat er ook met ons gebeurt. Zo’n
geloof gaat verder dan mijn persoonlijke ervaring. Geloof is dan een
interpretatie van het leven die ik aanvaard.
de tweede plaats: Gods liefde is eindeloos. Wij kunnen het nooit begrijpen, in
onze greep krijgen. Het enige wat wij kunnen doen is springen en ons storten in
de eindeloze diepte er van. En we springen niet graag. Wij zijn bang het niet
meer in onze greep te houden. De Zweedse bekeerling Sven Stolpe vergelijkt het
geloof met het beklimmen van een heel hoge ladder en als men op het uiterste puntje
van de ladder staat, hoort men een stem die zegt “Spring maar en Ik vang je wel
op”. Degene die springt, dat is de man van geloof. Er is moed voor nodig om te
springen.
Piet van Breemen sj
